TOT HIER EN NIET VERDER

MOTHERBOARD.COM (UNPUBLISHED)

Nog geen dertig kilometer ten oosten van Kerkrade vind je een zwaar gehavend deel van onze aardbodem. Hier ligt een bruingrijs litteken van kilometers lang en honderden meters diep dat een waar maanlandschap vormt. Sommigen mensen noemen deze plek ‘Der Zukunft’, anderen noemen het Mordor. Sommige mensen trouwen bij deze plek, anderen vechten tegen deze plek. Dit is de Hambach Tagebau: Europa’s grootste open kolenmijn en een plaats van grote controverse.

In reactie op de kernramp van Fukushima 2011 nam Duitse Bondskanselier Angela Merkel het besluit om alle kerncentrales geleidelijk te sluiten. Het gevolg daarvan was wel dat de kolenproductie opgeschaald moest worden om de mogelijke energietekorten op te vangen. Dit zou betekenen dat het laatste stukje van het Hambacher bos zou gaan verdwijnen om de mijn te vergoten. Een groep milieuactivisten besloot hier een stokje voor te steken door het oerbos te bezetten en de mijn te saboteren. Nu, bijna zes jaar later, is de strijd nog steeds gaande en is de groep uitgegroeid tot één van de grootste bosbezettingen van Europa, vastberaden om de laatste linie te verdedigen.

Zo'n tien minuten na het passeren van de grens zie ik de eerste stoompluim boven de boomtoppen al opdoemen. De Duitste deelstaat Nordhrein-Westfahlen is een flink geïndustrialiseerd gebied en staat vol met kolencentrales. Je ziet er hier op dit stukje langs de snelweg bijna meer van dan wegrestaurants. Hoewel ik ook niet per se fan ben van kleffe maaltijden en een droevig uitzicht op voorbij razende auto’s, geeft dit mij toch een vreemd gevoel. Met de wetenschap dat deze koolindustrie de grootste oorzaak is van lucht verontreiniging in noordwest Europa draai ik zeer hypocriet het raampje dicht van mijn ronkende witte dieselbusje en rijd door naar het Hambacher bos.

Bij de ingang van het bos word ik verwelkomd door een grote barricade van takken, oude kabels en puin. Het is duidelijk dat sommige mensen (of machines) niet welkom zijn. Bepakt met mijn cameratas, tentje en slaapzak klauter ik over de takken heen. Er loopt naar het hart van het bos een kaarsrecht pad dat breed genoeg is voor vrachtwagens. Hoogstwaarschijnlijk door RWE aangelegd. Om de twintig meter wordt deze echter opgebroken door een wegversperring van boomstammen of een diep gegraven geul. Geen auto die hier nog doorheen kan. Het is er zo eigenaardig stil, dat ik het gevoel krijg alsof ik ieder moment in een boom geslingerd kan worden met een vangnet. Een onthaal zoals Robin Hood en zijn bende geven. Ik heb namelijk bij niemand van de activisten echt aangekondigd dat ik langskom.     

Ik loop verder door over het modderige pad en volg het bordje dat Gallien leest. Ongeacht de situatie die ik binnen zal aantreffen is deze verwijzing naar Asterix en Obelix wel de best mogelijke naam die een bosbezetting had kunnen krijgen. Nog voordat ik het kamp betreed, komen twee mensen me via het wandelpad tegemoet lopen, allebei met een sjaal voor hun gezicht geknoopt. “Hey, er wordt gefilmd binnen, dus pas op!”, roept één van de twee in het Duits. Ik vertel ze dat dat voor mij geen punt is, waarop ze hun schouders ophalen en doorlopen.

Die referentie naar het Gallische dorp is in eerste opslag geheel terecht. De boomtoppen hangen vol met enorme hutten, er wapperen overal kleurrijke spandoeken met rebelse teksten en op de grond staan allerlei hutjes gemaakt van takken: dit zijn de gerealiseerde droomplannen van de boomhut kampen uit mijn jeugd.

Nadat ik mijn tentje ergens heb opgezet besluit ik wat bewoners te gaan zoeken. Op inderdaad wat cameramannen na, is het aardig stil in het kamp. Ik vind er een aantal in een hutje in het midden van het kamp, schuilend. Niet voor de regen, maar voor de camera’s van Arte. Rond een klein kampvuur wordt een dagplanning samengesteld. Ik schuif zachtjes de kring in, stel me voor en vertel dat ik journalist ben, niemand die er raar van opkijkt. De planning gaat verder. “Heeft er iemand toevallig een auto om straks samen een lading brood op te halen in Düren?” vraagt een meisje met kortgeschoren haar en een brilletje. Ik steek mijn hand op en vertel over het bestelbusje waar ik mee ben gekomen. “Super!” reageert ze enthousiast en ze steekt haar hand uit. “Ik ben Bolzi. Als je wilt kunnen we meteen gaan, want ik heb nog wel wat te doen vanavond.” Samen lopen we het bos uit. Bolzi op blote voeten.

Als we de auto in willen stappen tovert Bolzi ineens een stuk zeil tevoorschijn. “Ah slim, voor het brood!” reageer ik. “Nee hoor, voor mij” antwoordt ze en trekt het zeil over de passagiersstoel heen. “Ik heb namelijk schurft.” Ik kijk haar met stomheid geslagen aan.  “Ja, dat is wel een nadeel aan het leven in een bos,” gaat ze verder. “Een paar maanden terug hebben we een soort epidemie gehad en de meesten zijn er al wel vanaf, ik moet er nog even voor naar de dokter. Ik heb er alleen niet zo’n zin in.” We rijden ondertussen naar de stad Düren. Elke keer als Bolzi de richting aanwijst hoor ik het zeil onder haar kraken, me weer bewustmakend van het feit dat ik mijten in mijn auto heb. Zij lijkt zich er niks meer van aan te trekken. Aan de ene kant verbaast dat me ook niets, wil je in een bos leven, zal je dat soort los moeten kunnen laten.

Bolzi lijkt een beetje te schrikken wanneer ik haar vraag waar ze hiervoor woonde. “Dat zeg ik liever niet. Ik zie mijn ouders nog wel eens, maar ik vond het niet zo leuk thuis. Toen ik zeventien was ben ik hier gekomen om een keer te kijken en het beviel me zo goed dat ik nooit meer ben weggegaan. Dat is nu ongeveer twee jaar geleden.” Ze vertelt me dat we naar een kraakpand gaan waar de activisten eens in de paar maanden komen om uit te rusten en te wassen. “Hier brengen mensen uit de omgeving eten of andere voorraden naartoe. Vandaag hebben een aantal bakkers uit de buurt kratten vol met brood en gebak voor ons achtergelaten.” Zelf eten verbouwen doen de activisten niet echt in het Hambacher Forst. “We hebben in de weide wel een plantenkas gebouwd, het meeste daarin is alleen dood omdat er vaak vergeten wordt de planten water te geven.” Ze lacht, “daarom gaan we vaak dumpster diven in Keulen. ’s Nachts vissen we dan van alles uit vuilcontainers bij supermarkten. Die gooien vaak zoveel weg, vorige week hadden we nog tip gekregen en vonden we een paar honderd kilo aan koekjes. Iedereen is denk ik wel een kilo aangekomen!”

We moeten de broden naar de weide brengen: een ander deel van de bezetting vlak buiten het bos. Dit is op privégrond van een boer die ook niet zit te wachten op uitbouw van de mijn. De activisten mogen hier hun kamp opzetten omdat de politie hen dan niet kan arresteren voor huisvredebreuk; het bos is eigendom van RWE. Deze plek staat vol met oude caravans en modderhutten. Het is al donker als we aankomen. Rondom een kampvuur zit zo’n dertig man te eten. Elke avond wordt er hier in grote pannen gekookt en iedereen mag aanschuiven. Vandaag op het menu: pasta met bonen en tofu. Uiteraard veganistisch. Ik zoek een warm plekje bij het vuur en neem ook een bord. Een jongen naast mij staat op, hij heeft een iPad in zijn hand en vraagt om stilte. Of hij een paar teksten voor mag dragen. Onder luid gejuich wordt hij aangemoedigd en begint luidkeels aan zijn Duitse prozagedicht. Ik spreek de taal zeker niet vloeiend, maar begrijp het goed genoeg om meerdere malen geschreeuw over ‘die diktatorisches Kapitalisten’ en ‘die anarchistische Utopie’ op te pikken. Tien minuten later na een hoop gevloek klapt de jongen zijn iPad dicht, maakt een buiging en ontvangt een daverend applaus.

Na een gezellig avondmaal en een toetje in de vorm van een anarchistisch pleidooi, beginnen mensen richting hun hut of caravan te lopen. Ik raak aan de praat met een jongen die ik Sam mag noemen. Net als ik moet hij ook naar het andere kamp toe, dus kan ik mooi gebruik maken van het licht van zijn zaklamp. Hij legt uit dat hij sinds kort een boomhut aan het bouwen is bij de grens van het bos, en deze moet snel af zijn, want het kapseizoen begint over twee dagen. Morgenochtend mag ik met hem mee.

Het is 7 uur ’s ochtends en pas net licht als ik Sam in zijn harnas klaar zie staan om naar zijn boomhut te klimmen. Een kameraad helpt hem met het bouwen en hangt al bijna in de top, zwaaiend in de wind. De hut is op het randje van het bos: zo’n vijftig meter verder kun je de zandvlakte al zien. De hut die ze aan het maken zijn zit op zeker vijftien meter hoogte, al het bouwmateriaal hebben ze via kabels omhooggetrokken. “Het is zeker zwaar werk, maar zo voelt het geen moment want geloof me, als je daarboven bent word je meteen verliefd op deze plek.” Sam, zo rond de twintig jaar oud, zou nu eigenlijk aan zijn nieuwe opleiding moeten beginnen, maar heeft dat plan tijdelijk stopgezet. “Ik kon niet meer zonder schuldgevoel in een collegezaal zitten, wetende dat hier mensen strijden en afzien voor een betere wereld. Op een gegeven moment dacht ik ‘fuck it’, heb mijn spullen gepakt en ging gewoon. Nu ben ik een hut aan het bouwen in het gebied dat ze dit seizoen gaan kappen. Ik kan hier een verschil maken en beter heb ik me nog nooit gevoeld.”

Vanaf overmorgen mag RWE volgens de wet weer beginnen met kappen en er ligt alleen nog een vloer. Inmiddels is Sam zelf ook aan de klim begonnen, “Ik krijg het wel op tijd af, denk ik” roept hij vanuit het touw. “Desnoods slaap ik alvast onder een zeil!” De kans is groot dat zijn verblijf in de boomhut niet van lange duur is. “Misschien word ik over een paar weken gewekt door het geluid van een kettingzaag. Dat idee maakt me soms wel angstig. Hoe dan ook, dit is geen zonde van mijn tijd. De eerste functie van de boomhut is weerstand oproepen, daarna komt pas het woongedeelte.”

Op mijn weg terug naar het kamp zie ik mensen druk in de weer om voor te bereiden op het kapseizoen. In het grote pad dat dwars door het bos loopt worden er greppels gemaakt om te voorkomen dat er vanaf oktober vrachtwagens overheen kunnen rijden. Een jongedame met legerkistjes, Antifa-jack en een geschoren hoofd werkt samen met een man op blote voeten en bloemen in zijn haar. Hij hakt, zij schept. In het zand schrijft één van hen ‘Ende Gelände’, wat ruw vertaald wordt naar ‘tot hier en niet verder’. Het is een veelgebruikte slagzin van de groep.

Terwijl ik wat aantekeningen op mijn telefoon maak word ik boos aangekeken door een jongen, ook Antifa-jas dragend. “Wil je dat ding alsjeblieft afzetten?” zegt hij, “En als het kan ook de batterij eruit!” Ik vraag of hij een grapje maakt, maar hij meent het echt. “Iedereen die hier in het boos loopt kan worden afgeluisterd door de overheid en RWE als ze dat willen. En serieus, dat doen ze ook.” Op het eerste gezicht lijkt dat een overdreven tactiek voor een aantal greppels en houten barricades, maar ik geef uiteindelijk toch gehoor aan het verzoek van de jongen die verder anoniem wilt blijven.

In de middag spreek ik met Tamm in zijn boomhut af in Gallien (deze heeft wel een ladder). Hij woont hier al vijfenhalf jaar en is daarmee één van de eerste bewoners van de bezetting. Dat is ook wel te zien, hij heeft zelfs een houtkachel en fornuis in zijn woonruimte staan. In tegenstelling tot veel van zijn mede-activisten durft hij wel zijn gezicht in het openbaar te laten zien. “Ik vind dat criminelen iets te verbergen hebben, en zo zie ik mijzelf niet.” Volgens Tamm is het grootste verschil ook dat hij naar zijn zeggen alleen aan vreedzaam protest doet. “Ik geef heel veel om dit bos en doe er alles voor, maar ik maak niks stuk. Enkele mensen hier doen dat wel, dat geeft de verkeerde boodschap naar de buitenwereld. Ik denk dat je daar op de lange duur niet mee wint.”

Ik laat mijn telefoon aan Tamm zien en vertel dat deze hier afgeluisterd kan worden volgens sommige activisten. “Ik geloof er niet zo in,” reageert hij lachend. “Eerst gingen er ook geruchten rond over verborgen camera’s. Er zijn natuurlijk wel incidenten geweest waardoor je zou kunnen denken dat RWE dit soort dingen doet, maar ieder najaar steekt er wel weer wat paranoia op tijdens de voorbereidingen op het kapseizoen.” Volgens hem is het kamp gedurende deze tijd compleet anders. “Iedereen staat dan weer op scherp. Wakker worden door kettingzagen onderaan je boom is echt angstaanjagend en een politieactie wordt van te voren natuurlijk nooit aangekondigd. Vaak wordt er hier gedurende de zomermaanden vergeten dat het de rest van het jaar gewoon strijd is.”

Op een rustigere plek zet ik mijn telefoon weer aan en besluit RWE op te bellen om te vragen hoe het zit met die spionage. Aan de lijn krijg ik Lothar Lamberts, zegsman van het concern. “Wij hebben er totaal geen baat bij om zulke geheime observaties uit te voeren. Dat zou mensenrechten schenden en zo’n risico zouden we nooit nemen.  Het is inderdaad wel zo dat we onze eigen grenzen goed in de gaten houden, wij moeten ons bestaan immers ook voortdurend verdedigen.”

De volgende ochtend besluit ik het weidekamp te gaan bekijken. Terwijl Gallien op dit tijdstip al zeer levendig is, ligt iedereen hier nog in bed. Afgelopen nacht is er een techno-feest gehouden. Dat blijkt een kenmerkend verschil tussen de kampen: hier wordt openbaar drugsgebruik onder andere wel geaccepteerd. Het kamp lijkt over het algemeen wat minder begaan met de natuur, overal ligt afval en de anti-RWE spandoeken maken hier meer plaats voor antifascistische slogans.

Hier ontmoet ik Mike, een Amerikaanse jongen van achterin de twintig. Voor hem betekent de strijd tegen RWE meer dan alleen het redden van het bos. “Ik kom uit het arme middenwesten van Amerika, ben van Inheemse etniciteit en heb niet gestudeerd. De perfecte prooi om voor te liegen en op jonge leeftijd het leger in te praten. Toen ik mijn handtekening zette was ik zestien. Onwetend en naïef dat ik was werd ik naar Irak en Afghanistan gestuurd. Ik kwam erachter dat ik niet meer dan een pion van het Amerikaanse Imperialisme was: onderdrukt om anderen te onderdrukken. Toen voor mij duidelijk werd wat ik aan het doen was, kon ik niet langer in mijn land blijven. Mijn oorlog is nog steeds niet voor bij, nu juist om tegen die onderdrukking te vechten.”

“Die onderdrukking vindt op zoveel vlakken plaats,” gaat Mike verder als we bij zijn caravan aankomen. “Daar is hier geen plek voor. Er wonen hier transgenders of mensen met een zware vorm van autisme die het gevoel hebben in de ‘gewone’ samenleving niet als volwaardig erkend te worden.” In het Hambacher bos is dat anders. Volgens Mike staat het erom bekend dat iedereen wordt geaccepteerd en mag komen en gaan wanneer hij of zij dat wilt. “Ik heb me nog nooit ergens zo thuis en geliefd gevoeld als hier. Het enige waar ik me hier druk om hoef te maken is schurft.” Hij begint hardop te lachen en stapt naar binnen.

De caravan waar we in zitten is niet van Mike. Op een paar dingen zoals kleding na, heeft hij net als velen hier geen eigendom. "Toen ik ontslag nam en onderweg naar Duitsland was dacht ik echt ‘waar ben ik in godsnaam mee bezig?’ Ik had geen huis, geen geld, niks. Met die onzekerheid heb ik hier nog wel een paar dagen rondgelopen,  maar al snel merkte ik dat ik helemaal niks nodig heb. Er woonde hier een tijdje een man die anderhalve ton aan schulden had, en nog nooit heb ik zo’n zorgeloze ziel ontmoet. Ik zie het tegenwoordig zo: geld is uiteindelijk maar een abstract concept, waar je niks aan hebt als onze wereld niet meer leefbaar is. Klimaatproblemen zijn daarentegen hartstikke echt. Dus waarom zou ik me nog zorgen maken om iets wat niet bestaat?” Mike is vastberaden dat hij niet meer terug gaat naar zijn oude leven.. “Ik ga dit voor de rest van mijn bestaan doen. Mocht deze plek ooit niet meer bestaan, zijn er nog talloze andere plekken waar ik kan helpen. Dat is het mooie, ik ben nu pas echt helemaal vrij.”

Buiten klaart het weer op en mensen beginnen langzaam aan hun dagtaken. Ik zie een vrouw met moeite een zeil proberen te trekken over een grote koepel van gevlochten takken. Ze wilt wel met me praten, maar onder voorwaarde dat ik haar help met het bedekken van de constructie. Ik ga akkoord. Ze stelt zich voor als Lobo. “Het betekent wolf in het Spaans. Zo noemen de mensen mij hier.” De koepel die we aan het bedekken zijn, beslaat grofweg dertig vierkante meter en is zeker drie meter hoog. Nu er langzaam meer mensen bij het kamp aansluiten hebben ze een grotere algemene ruimte nodig om droog te blijven tijdens natte dagen.

Lobo woont pas een paar maanden in het kamp en heeft onlangs besloten haar oude leven achter zich te laten. “Ik was bezig met mijn masterthesis in natuurkunde en op een gegeven moment had ik er helemaal geen zin meer in. Er is een druk om je constant te moeten bewijzen in onze maatschappij die totaal niet gezond is. Op mijn universiteit werd er continu neergekeken op mij als vrouw zijnde; vaak geloofden mensen niet eens dat ik natuurkunde studeerde. Soms zei ik wel eens dat ik pedagogiek deed om maar niet steeds in discussie hoeven te gaan. Hier kan ik met gereedschap rondlopen zonder dat een man tegen me zegt dat ik dat niet mag doen.”

Elke ochtend wandelt Lobo eerst een half uur in het bos voordat ze aan haar dag begint. “Wandelen deed ik in de stad ook al om mijn hoofd leeg te maken, maar soms kwam ik nog meer gestrest thuis dan dat ik in eerste instantie was.” Die vredige sfeer kan binnenkort wel voorbij zijn. “Dit wordt mijn eerste kapseizoen, dus ik ben erg benieuwd hoe ik dat ga ervaren. Maar weggaan zal ik niet doen hoor, ik heb er nu al zoveel voor opgegeven dat ik de hele strijd tegen de mijn wel ga uitzitten.”

Morgen is de officiële start van het kapseizoen, en daarom wordt er vandaag een sponsorwandeling georganiseerd om donaties te werven. Een groot deel activisten zoekt privacy op in een hut, of heeft gezichtsbedekking opgedaan omdat er nu vrijuit gefotografeerd mag worden. Er zijn kennelijk ook ouders van activisten op afgekomen die vol trots worden rondgeleid om te aanschouwen in welke omstandigheden hun kind leeft. Het is een vreemd om te zien dat een jongvolwassene die normaal gesproken illegale protestacties uitvoert, door de aanwezigheid van zijn of haar ouders kan transformeren in iets wat lijkt op een tiener die wordt opgehaald van zomerkamp.

Tussen de groep van wandelaars loopt ook een oudere man, Kurt Claßen (69). Hij woont in het nabijgelegen Buir en komt al meer dan zestig jaar in het bos. Hij spreekt vol lof over de activisten. “Deze jonge vrienden zijn een waar godsgeschenk. Als ik zelf nog zo jong was dan zou ik meteen mee gaan helpen.” Hij is een bekende van de groep en ze zouden niet zonder hem kunnen. “Omdat al het grondwater weggepompt wordt door de mijnbouw zijn de beekjes drooggelopen. Ik breng hun regelmatig watertanks. Zo kan ik als oude belastingadviseur toch mijn steentje bijdragen.”

Niet iedereen is zo positief over de groep als Kurt. Ik raak in gesprek met Udo Szimansky (59), hij is geboren in het dorpje Morschenich dat vrijwel direct tegen het bos aan ligt. Vanaf het eerste moment is hij al betrokken bij de bosbezetting, maar  vindt dat er tegenwoordig een hoop mis is met de groep. Ze zijn volgens hem van hun oorspronkelijke pad afgeraakt. Omdat het nogal gevoelig is, wilt hij er in het kamp niet over praten. Ik besluit met hem af te spreken in zijn geboortedorp.

“Sorry dat het helemaal hier moet,” zegt Udo als ik hem tegemoet kom lopen. “Ik lig niet zo goed meer in de groep, dus ik wil geen risico’s nemen. Ook voor jou niet.” Hij kijkt nog een paar keer goed om zich heen, om te checken of we wel alleen zijn. “Zoals je waarschijnlijk wel gehoord zult hebben is de groep de afgelopen jaren flink gegroeid. Dat is op zich een goed teken, maar daar zijn wel een heleboel rotte appels bij meegekomen die hier totaal niks te zoeken hebben.”

Hij wijst over de velden naar het weidekamp dat je kunt zien vanuit het dorp. “Daar zitten tegenwoordig pure anarchisten die niets met het bos van doen hebben. Ze komen niet eens uit de buurt. Ze gebruiken dit alleen als excuus om te stennis te schoppen en haat te zaaien. Ook mensen die niet met RWE van doen hebben vallen ze aan. Er is hier in de omgeving een probleem met wildzwijnen en een paar weken terug hebben ze weer jagers aangevallen omdat ze vinden dat het dierenbeulen zijn. Ze vinden dat geweld te rechtvaardigen is.”

“Veel van die jongeren hebben problemen” gaat hij verder. “Ze zijn weggelopen van huis of voelen zich niet thuis in de maatschappij en in plaats van dat te verwerken komen ze hierheen. Vaak zijn ze boos op de wereld en dat heeft invloed op de mensen die wel vreedzaam willen protesteren. Laatst was ik er met mijn hond, mocht ik geen foto’s maken van ze. Het is een openbaar bos, geen Noord-Korea.”

Morschenich is een spookdorp, eens in de tien minuten passeert er een doorreizende auto maar voor de rest zie je er vrijwel niemand. Het dorp ligt namelijk in het gebied van RWE en zal over zo’n vijf jaar gesloopt worden. Ook Udo woont er al sinds de jaren tachtig niet meer. Zijn geboortehuis staat er nog wel. “Het is bizar hoe dat bedrijf mijn leven heeft bepaalt. De verkoop van het huis heeft destijds voor een enorme familieruzie gezorgd. Niet iedereen was het met elkaar eens, ik wilde blijven.”

Hij wijst me zijn oude huis aan, er woont nu een ander gezin in. “Er zijn hier een aantal gezinnen die goedkoop een pand denken te kopen, en dan over vijf jaar flink denken te cashen bij RWE. Dat gaat ze vies tegenvallen. De meeste mensen zijn vorig jaar verhuisd naar Morschenich Neu, velen omdat ze financieel gezien geen andere keus hadden. Gelukkig hoefde ik dat niet.”

Na een verblijf van drie dagen in het bos is het voor mij tijd om te gaan. Het Hambacher bos is een intrigerende maar verwarrende plek die ik niet snel zal vergeten. Het is duidelijk dat 'Ende Gelände' voor veel meer staat dan alleen de geografische lijn van een kolenmijn. Onderdrukking, disciminatie, intolerantie: RWE is voor veel verschillende mensen een verwezenlijkt symbool geworden van een lijn die ze al vaker hebben moeten trekken.

In de loop der jaren zal de dagbouw nog flink uitgebreid worden. RWE heeft toestemming gekregen om nog tot 2040 uit te bouwen binnen het gebied van de rode lijn op de kaart. Het bos dat zich binnen het gele stippellijn bevindt zal dit jaar gekapt worden. Het is de activisten tot op heden nog niet gelukt om een kapseizoen tegen te houden.